TwitterFacebook

De zeurpiet

COLUMN Raymond de Mooij

GMW advocaten

Merel, de dochter van vrienden, belde mij in de zomer van 2012. Zij woonde met 15 meisjes in studentenhuis ‘Bellefleur’ in Utrecht en had problemen met haar huisbaas, Henk Kolibrie. De heer Kolibrie wilde het studentehuis renoveren en de huurovereenkomsten met de dames beëindigen. “Maar ons studentenhuis bestaat al meer dan 25 jaar en wij willen er niet uit, althans niet voorgoed”, vertelde Merel mij. ”Dat zou namelijk het einde van Bellefleur betekenen en dat mag niet gebeuren!” Kolibrie had een gerenommeerd advocatenkantoor in de arm genomen. Zijn advocaat Mr Thea Gans had 16 opzeggingsbrieven naar mijn jonge cliënten gestuurd en stelde dat de huurovereenkomsten moesten eindigen omdat Kolibrie het studentenhuis “dringend nodig had voor eigen gebruik.”

Ik vertelde Merel dat ik de zaak waarschijnlijk lang kon rekken, maar dat op enig moment de renovatie toch zou moeten plaatsvinden. Het was dus verstandig om vast op zoek te gaan naar vervangende woonruimte. Ondertussen zou ik proberen om onze wederpartij op andere gedachten te brengen. Ik nam telefonisch contact op met Mr Gans. “U weet dat gerechtelijke procedures in dit soort zaken lang kunnen duren, soms wel jaren”, begon ik. “Ik betwist dat de huurovereenkomsten moeten eindigen. Waarom zouden mijn cliënten na de verbouwing van Bellefleur niet kunnen terugkeren?”

Mr Thea Gans liet zich de kaas niet van het brood eten. “Ik zie de procedure met vertrouwen tegemoet. Het is evident dat er een ingrijpende renovatie dient plaats te vinden. De kantonrechter zal dat inzien.”

Een maand later belde Merel met goed nieuws. De meisjes hadden vervangende woonruimte gevonden. “Echt heel mooi, om de hoek en we passen er met het hele gezelschap makkelijk in.” In september 2012 sprak ik Mr Gans in haar kantoor in Utrecht. Wij kwamen snel tot zaken. Mijn cliënten zouden meewerken en vrijwillig vertrekken, onder de voorwaarde dat zij na de renovatie konden terugkeren naar Bellefleur. En ik bedong dat mijn cliënten een ‘coöptatierecht’ zouden krijgen, te weten de mogelijkheid om bij het vertrek van een huisgenoot zelf een opvolger aan te wijzen.

Twee jaar later stuurde studente Merel mij een e-mail. “Wij zijn drie maanden geleden teruggekeerd naar Bellefleur. Iedereen was dolblij. Tot wij te maken kregen met de beheerder van de heer Kolibrie, een zekere Pierre Precies. Hij weigert om een door ons aangedragen meisje als huurder te accepteren. De man zegt dat hij bepaalt wie er in ons huis komt te wonen, en niet wij. Verder houdt hij ons dag en nacht in de gaten en heeft op alles wat wij doen kritiek, heel irritant.”

Ik wees de heer Precies schriftelijk op het coöptatierecht van mijn cliënten. Niet veel later zette Merel een e-mail van de beheerder aan mij door. “Tijdens een controle van uw woning constateerde ik dat er posters met punaises aan de muur zijn bevestigd. Dat levert schade op die u moet vergoeden. Verder heeft huurster Cathelijne de deur van haar kamer paars geverfd. Die deur moet worden teruggebracht in de oorspronkelijke kleur, muisgrijs.” Ik beantwoordde haar bericht. “Wat een treurige zeurpiet, schrijf maar terug dat jullie niets betalen of verven.”

De volgende dag had ik een woedende Pierre Precies aan de lijn: ”Ik laat mij niet door een advocaat uitmaken voor treurige zeurpiet. Hoe durft u! Ik ga een klacht tegen u indienen bij de Orde van Advocaten.” Nieuwsgierig nam ik contact op met Merel. Die zakte door de grond van schaamte. “Sorry, sorry! Het is gisteren een beetje laat geworden en ik dacht vanochtend ik stuur een mail aan die beheerder, maar toen heb ik per ongeluk jouw bericht aan mij meegestuurd….oh my god.”

Van Pierre Precies hoorde ik niets meer. Tot vorige week. Merel belde. De beheerder had dagenlang met een verrekijker op de loer gelegen en een poes ontwaard in het studentenhuis. In een aangetekende brief had hij mijn cliënten voorgehouden dat het op grond van artikel 14 lid 3 sub b van de algemene huurvoorwaarden verboden was huisdieren te houden en hen gesommeerd zich te ontdoen van de poes. De dames waren in alle staten. Mijn cliënten hadden vervolgens zelf een slimme oplossing bedacht. Merel giechelde: ‘Wij zijn naar de politie gegaan en hebben gezegd dat er dagelijks een man met een verrekijker naar onze poes staat te kijken. Dat is in strijd met ons recht op privacy.”